[Reporter]
2-10-2004
Niet eens een proefdier
Door Jessie van Loon
Ze worden gefokt met galproblemen of extra veel kans op kanker. Tot nut van het algemeen. Maar duizenden van hen halen nooit de status van proefdier en eindigen als voer in de dierentuin.
Merkmuis ICR(CD-1)
is een robuuste muis, goed handelbaar met prima fokeigenschappen.
Uitstekend geschikt voor oncologisch onderzoek, als algemeen
gebruiks- of chirurgisch model. Prijs: 2,80. Tien procent
korting bij afname van meer dan 1000 stuks.
De folders van proefdierfokkerijen lezen als de Wehkamp-catalogus.
De eigenschappen van de producten, proefdieren,
worden er breed in uitgemeten. De muizen, ratten, cavias,
hamsters en konijnen worden veelal in isolatoren gefokt:
afgesloten, steriele minihokjes waarin de omstandigheden
optimaal zijn. De kwaliteit van de dieren is dan ook top.
Om van te smullen weten ze in de dierentuin. Niet-verkochte
proefdieren eindigen - nadat ze op humane wijze
vernietigd en ingevroren zijn - als voedsel voor roofvogels en
andere carnivoren. Door onze biologische overschotten, de
niet-benutte dieren, aan te bieden aan onder andere
dierentuinen, voorkomen we dat men voor dit doel speciaal zou
gaan fokken, laat Harlan, een van de grootste
proefdierfokkerijen in Nederland, schriftelijk weten.
Hoeveel dieren het niet verder schoppen dan potentieel
proefdier is niet bekend, maar het zullen er waarschijnlijk
tienduizenden zijn. Van ratten worden vrijwel alleen de mannetjes
gebruikt voor onderzoek, van muizen hoofdzakelijk de vrouwtjes.
De meeste onderzoekers willen bovendien geen dieren die ouder
zijn dan een halfjaar.
Fokken op aanvraag schijnt niet haalbaar te zijn, dus bedrijven
als Harlan en Criver, ook een grote internationaal opererende
proefdierfokkerij, zorgen dat ze uit voorraad kunnen leveren. En
omdat het proces in de verte toch nog iets biologisch in zich
heeft - of omdat de technologie nog niet ver genoeg is gevorderd
- is het niet mogelijk alleen muizenvrouwtjes geboren te laten
worden.
Op vrijwel alle andere vlakken zijn de dieren wel genetisch te
manipuleren. Dat resulteert in een bont aanbod van modellen, om
maar even in de termen van de fokkerijen te blijven. Zo is er de
originele Sprague Dawley albinorat of de goedkopere Wistar
Unilever rat, die maar 5,95 euro kost (echter niet geschikt voor
chirurgisch onderzoek). Brown Norway heeft hypergevoelige longen.
Teer ratje, misschien niet te lang meer doorfokken? Juist wel,
want die zwakke longen maken hem prima geschikt als testmodel
voor luchtweginfecties.
Gebreken leveren in deze sector behoorlijk wat op en het aantal
soorten met een aangekweekt defect neemt in hoog tempo toe. Er
worden ratten gefokt met een te hoge bloeddruk, muizen met
galproblemen of spontane hoornvliesdegeneratie. De Athymic Nude (ruim
63 euro voor een letterlijk kale rat, 35 euro voor een muis met
dezelfde kenmerken) wordt geboren met een tekort aan witte
bloedcellen. De kans op kanker is bij deze dieren enorm. Model
HIV-1 kost weliswaar 92 euro, maar dan heb je ook wat. Onder het
kopje voordelen staat: HIV-gerelateerde schade aan het
centrale zenuwstelsel. Desgewenst passen de
proefdierfokkerijen hun modellen nog verder aan. De nieren kunnen
worden verwijderd, voor iets meer dan tien euro wordt de
baarmoeder weggehaald, castratie kost 7,15 euro.
Zolang de dieren niet verkocht zijn, vallen ze nog niet onder de
Wet op de Dierproeven. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA), die
de proefdieren registreert, telt alle dieren in de fokkerijen en
de geruimde dieren dan ook niet mee. In 2003 werden 600.104
dieren ingezet voor in totaal 620.875 dierproeven. Niet alleen de
overtollige dieren in de fokkerijen ontbreekt in de statistieken,
ook honden en katten die in dienst van de diervoederindustrie
smaakproeven doen, worden niet meegeteld. Zij hebben niets te
lijden, meent de VWA. De katten en honden die voor dit doel
worden gehouden hebben zonlicht, zijn vaak gesocialiseerd en
opgegroeid in gastgezinnen voordat ze laboratoriumdier werden en
ondergaan geen onderzoeken die lichamelijk ongemak met zich
meebrengen. Voor Vereniging Proefdiervrij is dat geen reden om
deze dieren geen proefdieren te noemen. Ook al mag een
Whiskas- of Shebakat lekker languit een dutje doen en wordt hij
goed verzorgd, het dier is niet opgenomen in een gezin, moet
poepen en plassen in speciale bakjes en dient geen ander doel dan
de proeven. Dat is dus een proefdier, in dit geval in de meest
letterlijke zin van het woord, aldus Esther van der Meer
namens Proefdiervrij.
Al met al geven de cijfers van de VWA een wat geflatteerd beeld.
Een positief punt is dat het aantal dierproeven de laatste jaren
wel daalt, omdat er langzaam meer alternatieven voor dierproeven
ontwikkeld worden. Nederland is op dit gebied koploper. Tenminste,
nog wel. Het huidige kabinetsbeleid zou echter wel eens een einde
kunnen maken aan deze koppositie. In de Miljoenennota is geen
cent terug te vinden voor alternatievenonderzoek. Wetenschappers
kunnen alleen maar hopen dat onder andere de ministeries van
Volksgezondheid, VROM en Defensie oude beloften nakomen en bij de
begrotingsbehandelingen alsnog geld vrijmaken voor het onderzoek.
Maar het budget zal kleiner zijn dan voorheen.
Alternatieven zoeken voor in vivo proeven met levende
dieren betekent niet alleen het ontwikkelen van in
vitro methoden. Ook verfijning van de huidige methoden,
zodat een proefdier minder ongemak ervaart, en onderzoek hoe het
aantal benodigde dieren voor een proef omlaag kan worden gebracht,
vallen daaronder. Dit wordt het beleid van de drie
Vs genoemd: Vervanging, Verfijning en Vermindering.
Met de huidige tendens van voor iedere ziekte een nieuw
diermodel wordt een vierde V wenselijk, meent de Vereniging
Proefdiervrij: de V van Voorkomen. In plaats van geld steken in
het fokken van nieuwe soorten proefdieren liever kijken of het
onderzoek van begin af aan kan worden uitgevoerd zonder
bijvoorbeeld reumaratten of kankerkonijnen. De vereniging is
inmiddels een handtekeningenactie begonnen onder het motto
Teken hier en red een dier om het ministerie van
Volksgezondheid duidelijk te maken dat Proefdiervrij het niet
eens is met inkrimping van het budget voor onderzoek naar
alternatieven voor dierproeven.
Een wrang kantje aan de zoektocht naar alternatieven is dat er
vergelijkend onderzoek moet worden gedaan naar de verschillende
methoden. Dat betekent soms extra dierproeven om de
betrouwbaarheid van het alternatief te toetsen. Enkele jaren
geleden ontstond daardoor de volgende situatie: TNO had een
schaalmodel ontwikkeld voor onderzoek naar de verteerbaarheid van
voedsel bij honden. Voor het vergelijkend in vivo onderzoek moest
uitgeweken worden naar Amerika. Niet alleen in Nederland, maar in
heel Europa bleken de benodigde dierproeven inmiddels
verboden te zijn. Amerika kwam niet lang daarna in opspraak toen
beelden van dierproeven naar buiten kwamen. Dat het
diervriendelijke Nederland soms opdrachtgever voor dergelijke
proeven is, werd niet bekend gemaakt.
www.proefdiervrij.nl
© Jessie van Loon, 2 oktober 2004